Tasman's reis in 1642-1643. De ontdekking van Nieuw-Zeeland

 

De blauwe route is de reis van Abel Tasman uit 1642-1643.

De rode route is een volgende reis van Tasman uit 1644.

De groene kustroutes zijn de kusten waar Nederlandse zeevaarders ooit langs zijn gevaren of aan wal zijn gegaan.

In dit verhaal wordt alleen nog de ontdekking van Nieuw-Zeeland beschreven. Zie de blauwe route op de kaart.

 

Het verhaal hieronder over Nieuw-Zeeland is van Jan Willem Driessen en is ook te vinden op de website http://www.nieuwzeelandplein.nl. Deze site is een goed beginpunt voor alles wat je over Nieuw-Zeeland wilt weten.

Na de ontdekking van Anthony van Diemenslandt (het huidige Tasmanië) voer Abel Tasman enige dagen in oostelijke richting en kreeg op 13 december 1642 ‘een groot hooch verheven landt’ in zicht. Tasman en zijn mannen zagen als eerste Europeanen de westkust van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland.

Het moet inderdaad een hoog verheven land zijn geweest, omdat Tasman deze kust ongeveer ten hoogte van Okarito moet hebben gezien. En deze kustplaats ligt aan de voet van de Zuidelijke Alpen. De schepen Zeehaen en Heemskerck besloten om naar land te koersen en de kustlijn in noordelijke richting te volgen. Aan deze beslissing lagen twee belangrijke redenen ten grondslag. De eerste reden was dat de wind al enkele dagen uit de zuidwesthoek waaide en Tasman vermoedde dat dit nog wel enige tijd zou duren. De kans was dan groot dat het land ten zuiden van hen bovenwinds zou blijven. Dat kon problemen geven omdat Hollandse schepen zo gebouwd en uitgerust waren dat ze niet recht tegen de wind in en tegen een sterke zeestroming op konden varen. De tweede reden was dat Tasman vermoedde in het zuiden geen groot land aan te treffen. Hij leidde dat af aan de deining van de zee. Ook ging Tasman ervan uit dat het nieuw ontdekte land vast zat aan Statenland bij Kaap Hoorn. Zijn schepen volgden daarom de noordwest- en noordkust van het Zuidereiland en gingen op 18 december in een kleine baai ten anker. Een geschikte ankerplaats om te proberen de kust te bereiken, want de bemanning snakte naar vers voedsel en drinkwater.

In de vroege ochtend van 19 december naderde een dubbele kano met dertien Maori tot op een steenworp afstand van de Heemskerck. Tasman en zijn bemanning begaven zich meteen aan dek. Het was altijd spannend om in contact te komen met de inwoners van een nieuw ontdekt land. Waren het vijandig gezinde kannibalen of vriendelijke en behulpzame inboorlingen van wie ze fruit, voedsel en water zouden kunnen krijgen? De taal die de Maori spraken was onverstaanbaar en vertoonde geen overeenkomsten met de woordenlijst die Tasman in Batavia had meegekregen. In zijn logboek beschrijft Tasman de Maori heel gedetailleerd. Het waren mannen van gemiddelde lengte met nogal rauwe stemmen, grof gebouwd en een huidskleur die tussen bruin en geel in lag. Hun zwarte haar was boven hun hoofd tot een knot samengebonden, waarin een witte veer was gestoken. Hun kleding was gevlochten en bijna allemaal hadden ze een ontbloot bovenlijf. Hun boot bestond uit twee aan elkaar bevestigde kano’s, waar overheen enkele planken waren gelegd. Hun peddels waren ongeveer een vadem lang, dun en puntig.

Tasman gaf de Maori meerdere malen te kennen, dat ze aan boord moesten komen. Hij liet hen wit linnen en messen zien, die voor dit doel door de VOC waren meegegeven. Na verloop van tijd naderde er nog eens zeven kano’s. De grootste had zeventien man aan boord en bleef op een redelijke afstand van de Zeehaen. Een tweede kano, met dertien Maori aan boord, durfde dichterbij. De Maori bleven waar ze waren, ondanks dat Tasman hen nogmaals linnen en messen liet zien. De schipper van de Zeehaen stuurde zijn kwartiermeester in een sloep met zes roeiers naar de Heemskerck om te waarschuwen geen inboorlingen aan boord te laten komen. Onderweg naar het schip waar Tasman zich op bevond werd de sloep door de Maori geramd. Een Maori stak stuurmansmaat Cornelis Joppen met een lange stompe stok meerdere malen in zijn hals, zodat deze overboord viel. Dat was het sein voor de andere Maori om ook aan te vallen. Gewapend met korte, dikke houten knuppels en peddels overweldigden ze de inzittenden van de sloep. Bij deze schermutseling verloren vier man van de Zeehaen het leven. De kwartiermeester en twee matrozen wisten de Heemskerck tegemoet te zwemmen en konden worden gered. De Maori lieten de sloep drijven nadat ze een van de doden in hun kano hadden overgebracht en een andere in het water hadden gegooid. Ze peddelden triomferend terug naar land. De Maori werden met musketten en kanonnen beschoten, maar niemand werd geraakt. In de achtergelaten sloep vond de bemanning van Tasman een dode en een stervende zeeman. Tasman gaf het bevel de baai onmiddellijk te verlaten omdat hij meende dat met deze lieden geen vriendschap kon worden gesloten. ‘Moordenaarsbaai’ leek hem een toepasselijke naam. De baai heet nu Golden Bay, omdat het er wemelt van beschutte baaien met gouden zandstranden. Op een heuvel herinneren een grote witte zuil en een gedenksteen aan deze tragische ontmoeting tussen de Maori en de Hollanders.

Na het verlaten van deze baai vervolgde Tasman zijn reis oostwaarts langs de kust. Aan de snel oplopende grond merkte hij dat ze in een grote inham terecht kwamen. Deze werd de ‘Zeehaensbocht’ genoemd. Tasman vermoedde dat er een doorgang bestond naar de Stille Zuidzee, maar stormachtig weer, mist en hoge zee uit het noordwesten werkten hem tegen. Hij baseerde zijn vermoeden op het feit dat de vloed uit het zuidoosten kwam. Erg verwonderlijk was het niet dat de vloedstroom zo merkbaar langs zijn schip trok, want de Heemskerck lag ten anker op ongeveer zes mijl van de monding van de zeestraat tussen het Noorder- en het Zuidereiland. Deze werd later door James Cook van de oostzijde ingevaren en door hem de Cook Strait genoemd.

Tasman vervolgde zijn reis langs de westkust van het Noordereiland. De noordkaap vernoemde hij naar de echtgenote van de gouverneur-generaal in Batavia, Kaap Maria van Diemen. Een op Driekoningen ontdekt eiland kreeg de toepasselijke naam Driekoningen-eiland. Tasman meende dat het slechts één eiland betrof, maar het waren er drie. Hij probeerde nog wel om verversing in te nemen, maar hoge zee maakte dat onmogelijk. Tasman besloot om in noordoostelijke richting verder te varen, omdat hij vermoedde dat in het oosten geen groot land zou liggen. Het land dat hij achter zich liet kreeg de naam Statenlandt. Die naam werd later door de VOC gewijzigd in Nieuw-Zeeland, omdat de provincie Zeeland zoveel kloeke zeevaarders had voortgebracht.



Terug naar het begin van de jeugdpagina over Abel Tasman